Ook mijn leven op aarde was aan dezelfde verzoekingen en gevechten blootgesteld die u hebt te overwinnen. Ook Ik moest worstelen om alle substanties van het aardse lichaam in de juiste ordening te brengen. Ook Ik kende de begeerten en moest er tegen vechten, want Ik was met dezelfde zwakheden behept die u veel last bezorgen en alleen de wilskracht in Mij werd ze de baas. En daarom deed Ik mijn lichaam geweld aan. Ik liet het niet de macht over mijn ziel verkrijgen, maar Ik overwon het en kon dit op grond van de liefde, die in Mij opgloeide toen Ik Me te midden van de geknechte mensheid begaf.
Ik zag de nood om Me heen, die zowel aards als ook geestelijk op de mensheid drukte. En in Mij ontbrandde het vurige verlangen om hen te helpen. Daarom lette Ik niet op het lichamelijke verlangen in Mij, Ik gaf er geen gehoor aan, want Ik wist dat Ik alleen maar zwakker zou zijn geworden in mijn wil om te helpen, als Ik acht had geslagen op mijn lichamelijke begeerten en ze had vervuld.
Maar het was een zware strijd, want van alle kanten drongen de verzoekingen zich aan Mij op en het menselijke in Mij zocht naar vervulling. Maar mijn ziel keerde zich tot God. Ze zocht steeds meer de verbinding met de Vader, naarmate de verleidingen heftiger werden. En ze ontving daarom ook steeds meer kracht, omdat deze band nooit zonder uitwerking bleef. Ik had waarlijk geen gemakkelijk leven op aarde af te leggen, tot de algehele vereniging met de geest van de Vader had plaatsgevonden. Want Ik was een mens, net als u. En Ik moest eerst hetzelfde doen wat ook uw taak is: de liefde tot de hoogste ontplooiing brengen om daardoor God, de eeuwige Liefde, in alle volheid in Mij op te kunnen nemen, dus de definitieve aaneensluiting met Hem te vinden, die ook uw doel op aarde is. En ofschoon mijn ziel uit het lichtrijk was, werd ze toch door haar vleselijk omhulsel buitengewoon in het nauw gedreven. De materie was als uw lichaam en bestond daarom uit geestelijk onrijpe substanties waar de tegenstander nog macht over had, die hij voortdurend aanzette tot begeerten en hartstochten van allerlei aard. Dat Ik hier als mens niet aan ten prooi viel, bracht alleen de liefde in Mij tot stand, die de wil in Mij sterker maakte om weerstand te bieden.
En het verblijf in de duistere, zondige omgeving, gaf ook de verderfelijke geesten van buiten de gelegenheid het lichaam lastig te vallen en het verlokkende beelden voor te spiegelen, welke de zinnen benevelen en mijn weerstand moesten verzwakken. Maar Ik mocht deze verderfelijke geesten niet opzij dringen. Ik moest proberen ze zachter te maken. Ook tegenover hen moest Ik de liefde naar voren laten treden, omdat Ik inzag dat ook zij deerniswekkende wezens waren, die de tegenstander in zijn macht had en die eens van hem zouden moeten worden verlost. En daarom mocht Ik niet met geweld tegen deze kwade geesten optreden, maar moest Ik Me oefenen in geduld en zachtmoedigheid. Ik moest hen weerstaan en door mijn wil om lief te hebben hen zachter maken, tot ze van Mij afzagen.
Ik was een mens en heb moeten strijden en lijden als een mens, omdat dit alles tot het verlossingswerk behoorde dat Ik voor mijn gevallen broeders wilde volbrengen. Want Ik wilde tegelijkertijd ook de mensen tonen op welke manier ze meester over hun zwakheden en begeerten kunnen worden. Ik wilde hun het leven voorleven, dat ook hen moet helpen vrij te worden en zich aaneen te sluiten met de Vader van eeuwigheid. Ik wilde hen bewijzen dat het mogelijk is alle verzoekingen te weerstaan met de kracht van de liefde, dat dus de liefde eerste en laatste voorwaarde is om het aardse leven te kunnen afleggen met het succes volmaakt te worden en zich met God te verenigen.
De liefde in Mij gaf Mij als mens het besef van de reden van de ongelukkige toestand, zoals ook u mensen pas door de liefde tot het juiste inzicht zult kunnen komen. En de liefde in Mij gaf Mij ook de sterke wil om het werk van verlossing te verwezenlijken, ten behoeve waarvan mijn ziel zich op aarde had belichaamd. Ik wist als mens, dat Ik alleen met de kracht van de liefde uit God dit werk zou kunnen volbrengen. En daarom vroeg Ik om de liefde. Ik smeekte haar zich aan Mij te schenken en Ik maakte dus mijzelf ook gereed om de kracht van de liefde van God in Me op te nemen. Ik trachtte alle begeerten te weren. Alle onzuivere gedachten, die de tegenstander in Mij wilde wekken, belette Ik de toegang. Ik stelde steeds weer mijn liefde tegenover hem, waarvoor hij moest wijken. En zo was mijn hart spoedig alleen vervuld van de liefde. Ik verbond Me steeds inniger met de eeuwige Liefde, die zich aan Mij schonk en Mij nu ook krachtig liet worden, zodat Ik met een sterke wil de eindbestemming van mijn bestaan op aarde tegemoet ging.
Desondanks hield de tegenstander niet op mijn lichaam steeds weer buitengewoon te kwellen, doordat hij Mij steeds meer in verzoeking bracht, hoe duidelijker hem mijn voornemen werd. En Ik moest tegen hem strijden tot aan mijn einde. Steeds weer kwam het menselijke in Mij tevoorschijn, zodat Ik in mijn zwakte tot de Vader bad: "Als het mogelijk is, laat dan deze kelk aan Mij voorbijgaan." Maar de band met de Vader was sterker en Ik gaf Me volledig over aan Zijn wil. Ik zag de grenzeloze ellende van de mensheid en de steeds sterker wordende liefde was bereid tot het reddingswerk voor deze mensheid.
Een mens leed en stierf de dood aan het kruis. Doch deze mens was alleen het omhulsel van Mij zelf. Ik kon mijn intrek in hem nemen en het was de liefde die het verlossingswerk volbracht. Het was de liefde welke de zondeschuld van de mensheid teniet deed. En deze liefde was Ik zelf.
Amen
VertalerAnche la Mia vita terrena era esposta alle stesse tentazioni e le lotte che voi dovete vincere, anche Io le dovevo combattere per mettere nel giusto ordine tutte le sostanze del corpo terreno. Anch’Io ho conosciuto le brame e dovevo combatterle, perché avevo le stesse debolezze che danno grattacapi a voi, e soltanto la Forza di Volontà in Me le ha vinte. E perciò ho fatto violenza al Mio corpo, non gli ho permesso di prendere potere sulla Mia Anima, ma l’ho vinto e l’ho potuto fare grazie all’Amore, che divampava in Me quando camminavo in mezzo all’umanità schiavizzata. Vidi la miseria intorno a Me che opprimeva gli uomini in modo sia terreno che anche spirituale. Ed in Me divampava l’ardente desiderio di aiutarli, perciò non badai ai desideri corporei in Me, non li ho assecondati, perché sapevo che Sarei soltanto stato indebolito nella Mia Volontà di Aiutare, se avessi badato ed assecondato le Mie brame corporee. Ma era una dura lotta, perché da tutte le parti irrompevano su di Me le tentazioni, e l’umano in Me cercava l’esaudimento. Ma la Mia Anima Si è rivolta a Dio, e più cercava il collegamento col Padre, sempre più veementi diventavano gli attacchi, e ricevette perciò anche sempre maggior Forza, perché questo legame non rimase mai senza Effetto. Non ho davvero dovuto percorrere una vita facile sulla Terra, finché non aveva avuto luogo la totale unificazione con lo Spirito del Padre, perché Io Ero Uomo, come voi, e dapprima dovevo fare la stessa cosa, che è anche il vostro compito: di portare al più sublime sviluppo l’amore, per poter accogliere in Me con questo Dio, L’Eterno Amore, in tutta la Pienezza, quindi di trovare la definitiva unificazione con Lui, che è anche la vostra meta sulla Terra. E benché la Mia Anima fosse dal Regno di Luce, venne comunque assediata oltremodo dal suo involucro carnale, che era materia, come il vostro corpo e che quindi era costituito da sostanze spirituali-immature, sulle quali l’avversario aveva ancora potere, che lui aizzava sempre a brame e passioni di ogni genere. Che Io non ho ceduto a queste come Uomo, lo ha potuto soltanto l’Amore in Me, che ha fortificato in Me la Volontà alla resistenza. Ed il soggiorno nell’ambiente oscuro, peccaminoso ha dato occasione anche a degli spiriti immondi dall’esteriore, di assediare il corpo e di illuderlo con immagini seduttrici, che annebbiano i sensi e che dovevano indebolirMi nella resistenza. Ma Io non dovevo respingere questi spiriti immondi, dovevo cercare di ammansirli, dovevo manifestare anche verso di loro l’Amore, perché ho riconosciuto, che anche loro erano delle essenze degne di misericordia, che l’avversario aveva in suo potere e che una volta dovevano essere liberate da lui. E per questo non dovevo procedere con violenza contro questi spiriti immondi, ma dovevo esercitarMi in Pazienza e Mansuetudine, dovevo resistere a loro e mitigarli mediante la Mia Volontà d’Amore, finché Mi hanno lasciato. Io Ero un Uomo ed ho dovuto lottare e soffrire come un uomo, perché tutto questo faceva parte dell’Opera di Redenzione, che Io volevo compiere per i Miei fratelli caduti. Perché contemporaneamente volevo anche dimostrare agli uomini, in quale modo possono diventare padroni delle loro debolezze e brame, volevo vivere per loro una Vita d’Esempio, che doveva aiutare anche loro alla liberazione ed all’unificazione con il Padre dall’Eternità. Volevo dimostrare loro che è possibile, resistere a tutte le tentazioni con la Forza dell’Amore, che quindi l’Amore è la prima ed ultima condizione, per percorrere la vita terrena con successo, per diventare perfetto ed unirsi con Dio. L’Amore in Me Mi ha dato come Uomo la conoscenza della causa dello stato infelice, come anche voi uomini potete giungere alla giusta conoscenza soltanto tramite l’amore. E l’Amore in Me Mi diede anche la forte Volontà, di eseguire l’Opera di Redenzione, per il qual scopo la Mia Anima Si è incorporata sulla Terra. Da Uomo Io sapevo, che soltanto con la Forza dell’Amore di Dio avrei potuto compiere quest’Opera, e perciò ho richiesto “l’Amore”, l’ho supplicato, di donarSi a Me, e Mi Sono preparato Io Stesso a questo, di accogliere in Me la Forza d’Amore di Dio. Ho cercato di difenderMi da tutte le brame, ho rifiutato l’accesso a tutti i pensieri impuri, che l’avversario ha voluto risvegliare in Me, gli ho sempre di nuovo rivolto il Mio Amore, al Quale doveva ritirarsi, e così presto soltanto l’Amore riempiva il Mio Cuore, Mi Sono sempre più intimamente unito con L’Eterno Amore, il Quale Mi Si donava ed ora Mi ha colmato anche di Forza, in modo che andavo incontro con forte Volontà alla Meta finale della Mia Esistenza terrena. Ciononostante l’avversario non cedette di vessare insolitamente il Mio Corpo, cercando di sedurMi sempre di più, più egli riconobbe il Mio Intento. Ed Io ho dovuto lottare contro di lui fino alla Mia fine, sempre di nuovo si manifestava in Me l’umano, in modo che nella Mia debolezza ho pregato il Padre: “Se è possibile, lascia passare da Me questo calice.... ” Ma il legame con il Padre era più forte, e Mi Sono totalmente dato nella Sua Volontà. Io vidi la sconfinata miseria dell’umanità, e l’Amore che diventava sempre più potente era pronto per l’Opera di Salvezza per questa umanità. Un Uomo ha sofferto ed è morto con la morte sulla Croce, ma quest’Uomo era soltanto l’involucro di Me Stesso, potevo prendere dimora in lui, ed era l’Amore, che ha compiuto l’Opera di Redenzione, era l’Amore, che ha estinto la colpa di peccato dell’umanità, e quest’Amore Ero Io Stesso.
Amen
Vertaler